Gastrointestinale Cytologie

Inleiding
Latha Pisharodi, MD

Het gastro-intestinale kanaal (GI) (het darmkanaal) is onderverdeeld in de oesofagus, maag, dunne darm en dikke darm. De onderdelen worden van elkaar gescheiden door kringspieren die de inhoud doorgeven van het ene deel van het GI-kanaal naar het volgende. Verder worden deze grenzen gekenmerkt door een verandering in de mucosale aard van de bekledingscellen. Het GI-kanaal is het digestieve orgaan van het lichaam. Het is een belangrijke bron van immuniteit en het vormt een endocrien orgaan.

Monsterverzameling
Cytologische monsters die verkregen zijn uit het GI-kanaal, kunnen bestaan uit borstelmonsters, spoelingen of fijne-naald aspiratie biopsieën (FNA, gestuurd door ultrasound). Een borstelmonster wordt doorgaans verkregen door een borstel die is ingesloten in een transparante schede, door een endoscoop te steken en de borstel vijf tot tien keer door de laesie te halen. De borstel wordt daarna weer teruggetrokken en het monster wordt op een objectglaasje aangebracht of in een preservatief medium.

Bij de endoscopische FNA wordt de naald ingebracht via een glasvezelendoscoop. Als de laesie is gelokaliseerd, wordt negatieve druk uitgeoefend op de naald en wordt de naald heen en weer bewogen binnenin de laesie. De druk wordt eraf gehaald, de naald wordt teruggetrokken en het monster wordt verzameld in een preservatieve oplossing.

De monsters kunnen verzameld worden in een CytoLyt® oplossing en verwerkt met behulp van de ThinPrep®2000 processor of verzameld in andere preservatieve oplossingen en verwerkt als cytospin of traditionele uitstrijkjes.

Oesofagus
Normale bekledende cellen van de oesofagus bestaan uit niet-gekeratiniseerde plaveiselepitheelcellen. Er worden zelden metaplastische cellen afkomstig van submucosale klieren aangetroffen. Cilindervormige glandulaire cellen kunnen afkomstig zijn uit de maag, of uit een Barrett-oesofagus.

Niet-specifieke oesofagitis vertoont doorgaans acute en/of chronische inflammatie met reactieve veranderingen. Herpetische oesofagitis vertoont klassieke cytopatische effecten, bestaande uit meerkernigheid, eosinofiele virale inclusies en matglaskernen. Candidale oesofagitis wordt vastgesteld door de detectie van fungale sporen en pseudoseptate hyfen. Heel zelden worden andere organismen, zoals aspergillus, aangetroffen.

Cytologische evaluatie van de oesofagus is een belangrijk hulpmiddel bij de diagnose van oesofageaal carcinoom, vooral in landen met een hoge incidentie van oesofageale kanker, zoals China en Japan, waar een massaal screeningsprogramma wordt uitgevoerd. Verschillende auteurs hebben aangetoond dat een combinatie van cytologie en biopsie optimaal is voor de diagnose van neoplasma’s in het bovenste deel van het GI-kanaal. 1, 2 . Glandulaire dysplasie die ontstaat in een achtergrond van Barret-oesofagus, vertoont typerend verspreide atypische cellen met enkele, maar niet alle, kenmerken van adenocarcinoom. Atypische plaveiselcellen met vreemde vormen, hyperchromasie en pleomorfisme, kenmerken goed gedifferentieerde plaveiselcelcarcinomen. Slecht gedifferentieerde plaveiselcelcarcinomen vertonen doorgaans hoog pleomorfe cellen, met een hoge N:C-ratio, nucleoli en dens cytoplasma. Adenocarcinomen vertonen typerend groepen en clusters van neoplastische epitheelcellen.

Maag
Het bekledende epitheel van de maag bestaat uit cilindervormige glandulaire cellen die doorgaans gerangschikt zijn in honingraatlagen. Mucineuze vacuolen kunnen waargenomen worden. Pariëtale cellen en hoofdcellen worden zeer zelden aangetroffen bij maagborstelmonsters. Pariëtale cellen hebben acidofiel cytoplasma bij de papkleuring. Hoofdcellen kunnen het best geïdentificeerd worden door de Romanowsky kleuring 3. Helicobacter pylori zijn Gram-negatieve spiraalbacteriën die gemakkelijk te identificeren zijn op Pap, Romanowsky, Warthin-Starry en H & E kleuringen. Niet-specifieke reactieve en reparatieve veranderingen, inflammatoire cellen, mitotische activiteit en prominente nucleoli kenmerken ulcus pepticum en gastritis. Gastrische adenocarcinomen vertonen maligne epitheelcellen met uitgesproken atypie. Er kunnen zegelringcellen aanwezig zijn. Maligne plaveiselcellen, indien aanwezig, suggereren adenosquameus carcinoom, het zeldzame plaveiselcelcarcinoom van de maag, of extensie van oesofageaal plaveiselcelcarcinoom in de maag. Heel zelden worden andere tumoren, zoals carcinoide en stromale tumoren, gediagnoseerd bij maagborstelcytologie. De diagnostische gevoeligheid van deze tumoren door cytologie is echter veel hoger bij gebruik van de endoscopische FNA procedure dan bij borstelen.

Galbuis
Borstelmonsters van de galgangen worden doorgaans uitgevoerd door endoscopische retrogade cholangiopancreaticografie (ERCP). Monsters kunnen ook verkregen worden van biliaire stents. De belangrijkste indicatie voor biliaire cytologie is verdenking voor maligniteit bij een patiënt met een biliaire structuur. Reactieve en reparatieve veranderingen worden vaak aangetroffen bij infectueuze ziekten, en primaire scleroserende cholangitis (PSC). Er kan dysplasie worden aangetroffen in de galgangen. Cytologische kenmerken zijn onder andere opeenstapeling en overlapping, toegenomen N/C-ratio en abnormale chromatineverdeling. De atypie echter, is minder ernstig dan bij adenocarcinoom. Adenocarcinoom in de galgangen (cholangiocarcinoom) is cytologisch gezien vergelijkbaar met adenocarcinomen die worden aangetroffen in het GI-kanaal. De mucineuze variant kan vooral moeilijk te diagnoseren zijn door de ongedetailleerde cytologische kenmerken. Deze cellen bevatten overvloedig mucine en kunnen soms verward worden met histiocyten.

Colon
Cellen kunnen verkregen worden door endoscopisch borstelen, spoelen of door FNA. Normaal darmslijmvlies presenteert zich door lange cilindervormige cellen, gerangschikt in cellen of los. Er kunnen bekercellen waargenomen worden. Enkele auteurs hebben cytologische bevindingen betreffende adenoom beschreven waarbij tubulair adenoom meer platte en stompe cellen heeft, terwijl een villeus adenoom langwerpige en spoelvormige cellen heeft.4. Adenocarcinoom van de colon vertonen cohesieve zeer atypische groepen glandulaire cellen, met prominente nucleoli en een necrotische achtergrond. De gevoeligheid van colonborstelmonsters voor de diagnose van coloncarcinoom varieert van 70 tot 85% 5. Een combinatie van cytologie en biopsie geeft echter de beste resultaten.6.

Anale borstelmonsters
Net als de transformatiezone van de cervix, is de squamocolumnaire junctie van het anale kanaal gevoelig voor de ontwikkeling van neoplasie 8. Het cytologische uiterlijk van de twee monstertypen is vergelijkbaar. Bevindingen kunnen worden geclassificeerd volgens de criteria vastgesteld door het Bethesda systeem 8.

Cytologisch materiaal voor evaluatie wordt gemakkelijk verkregen door het gebied direct te schrapen en een uitstrijk te maken op objectglaasjes of te spoelen in een preservatief. Bovendien worden anale “pap”-uitstrijkjes steeds meer gebruikt als een screeninghulpmiddel om dysplastische veranderingen te beoordelen, vooral bij mensen die HIV-positief zijn 9. Plaveiselcelcarcinoom van het anale gebied toont de karakteristieke neoplastische plaveiselcellen met verschillende stadia van differentiatie.

Referenties

  1. C P Shroff, S A Nanivadekar: Endoscopic brushing cytology and biopsy in the diagnosis of upper gastrointestinal tract lesions. A study of 350 cases. Acta Cytol 1988: 32 (4}: 455-60.
  2. O Donoghue, P G Horgan, M K Donohoe et al: Adjunctive endoscopic brush cytology in the detection of upper gastrointestinal malignancy. Acta Cytol 1995: 39(1}: 28-33.
  3. M Drake: Gastric cytology: normal and abnormal. In Gastroesophageal Cytology. Basel: Karger, 1985, page 120.
  4. V Kannan, CB Masters: Cytodiagnosis of colonic adenoma: morphology and clinical importance. Diag Cytopathol 1991 7(4}: 13-16
  5. RG Bardawil, FG Ambrosio, SI Hajdu: Colonic cytology. A retrospective study with histologic correlation. Acta Cytol 1990; 34 (5}: 10-12
  6. M Halpern, R Gal, L Rath-Wolfson, R Koren et al. Brush cytology and biopsy in the diagnosis of colorectal cancer. A comparison. Acta Cytol 1997; 41 (3}: 628-32.
  7. Goldstone et al. High Prevalence of Anal Squamous Intraepithelial Lesions and Squamous Cell Carcinoma in Men Who Have Sex with Men as Seen in a Surgical Practice. Dis Colon Rectum 2001;44:690-698.
  8. Darragh et al. Comparison of Conventional Cytologic Smears and ThinPrep Preparations from the Anal Canal. Acta Cytol 1997;41:1167-70.
  9. MA Friedlander, E Stier, O Lin. Anorectal cytology as a screening tool for anal squamous lesions: cytologic, anoscopic, and histologic correlation. Cancer 2004: 102(1}:19-26.

Oesofagale cytologie

Terug naar begin

Terug naar de Inhoudsopgave

CytologyStuff